Dier & terrorist
De Nederlandse politiek heeft opvallend veel moeite met de aanpak van extreme dierenactivisten. Terwijl die geweld gebruiken om hun doelen te verwezenlijken.
02-08-2008 door Arnoud Groot, HP/De Tijd week 31
Zo in levenden lijve doet Robert Molenaar bepaald geen recht aan zijn gewelddadige reputatie. Goed, zijn schedel is kaalgeschoren, maar daaronder liggen intelligente ogen en zachte gelaatstrekken. Om zijn nek hangt een fleurige sjaal. Molenaar drukt zich bedachtzaam uit met een zachte, bijna timide stem. Als hij vertelt over zijn missie, neemt hij regelmatig de tijd om Jack, zijn vrolijk kwispelende jack russell, aan te halen. Toch werd deze schijnbare zachtaardige jongeman eerder in Denemarken veroordeeld tot tien maanden cel na diverse gewelddadige acties tegen nertsfokkers. En op dat wapenfeit is hij nog steeds ‘trots’. Sinds de zomer van 2004 is Robert Molenaar de drijvende kracht achter de Anti Dierproeven Coalitie (ADC) – een organisatie die zich fel verzet tegen iedere vorm van dierproeven. Hij liet zich bij zijn overstap inspireren door de ‘zeer succesvolle’ actiecampagne tegen Huntingdon Life Sciences, de grootste proefdierspecialist ter wereld. Een zeer gewelddadige campagne, die de Britse multinational meerdere malen op het randje van faillissement bracht.
De ADC gebruikt geen geweld, verzekert Molenaar, maar hij heeft de schijn soms tegen. Dat wil zeggen: als de demonstranten van de ADC aan het einde van de dag zijn vertrokken, verschijnen ’s nachts vaak actievoerders van het Dierenbevrijdingsfront (DBF) op dezelfde locatie. Met zwarte bivakmutsen over het hoofd gooien ze ruiten in, kalken ze dreigende teksten op de muur, vernielen ze auto’s en steken die soms ook in brand. Volgens Molenaar is elk verband tussen zijn ADC en de nachtelijke acties van de DBF ‘zuiver toevallig’. ‘Die actievoerders hebben blijkbaar ook internet, en volgen onze focus.’ Tegelijkertijd weigert Molenaar pertinent het geweld te veroordelen. ‘We hebben dezelfde doelen, en blijkbaar is hun manier van actievoeren ook effectief. Wie ben ik dan om te zeggen dat ze fout zitten.’
Sinds zijn overstap werkte Molenaar nauw samen met Britse antidierproefactivisten. Het geweld nam daar de afgelopen jaren zulke ernstige vormen aan dat er een nieuwe wet werd aangenomen om de acties aan banden te leggen. Sindsdien werken de Britse activisten steeds vaker samen met hun Nederlandse medestanders, waarschuwt de AIVD. ‘Wij hebben veel van onze Britse vrienden geleerd,’ bevestigt Molenaar. ‘Strategie wordt steeds belangrijker. We opereren nu als een strak geleide multinational, met een goed uitgedachte strategie op basis van research en te behalen targets.’
Hij is dus ook erg tevreden dat een projectontwikkelaar zijn plannen voor de bouw van een aantal hoogwaardige laboratoria in Venray – ook voor dierproeven – heeft opgegeven, hoewel de protesten door de ADC gepaard gingen met een lange reeks bedreigingen en gewelddadigheden door het DBF. Op het huis van de projectontwikkelaar werd vlak voor Kerst gekalkt: ‘Wij eisen dat jullie stoppen met de bouw of het meewerken hieraan. Nu was het alleen maar wat verf, binnenkort zijn wij niet meer zo vriendelijk, Tot volgende jaar.’ Eerder trof een molotovcocktail al de auto van een van zijn collega’s.
De afgelopen drie decennia moesten met name nertsfokkers, boeren en de vleesverwerkende industrie het ontgelden. Maar de laatste jaren is het strijdtoneel van de radicale dierenliefhebbers verschoven in de richting van dierproeven. De sterke emoties die aan ‘sadistische’ experimenten blootgestelde apen, honden, hamsters en muizen losmaken, lijken bij uitstek geschikt als morele rechtvaardiging voor een terreurcampagne tegen de verantwoordelijke ‘dierenkwellers’. Er is ook een geheel nieuwe dimensie aan dierenrechtenterreur toegevoegd. Naast de ‘direct verantwoordelijken’ – vooral farmaciebedrijven en gespecialiseerde proefdierfokkers en laboratoria – zijn nu ook de ‘collaborateurs’ tot doelwit gepromoveerd. Financiers, huisbankiers, accountants, projectontwikkelaars, aandelenhandelaren en andere direct of indirect gelieerde bedrijven en personen worden steeds vaker het slachtoffer van vernielingen en intimidatie. Een strategie die succes heeft, gezien het grote aantal bedrijven dat zijn relatie beëindigde met firma’s die met dierproeven werken.
De politiek lijkt nu eindelijk bereid tot een hardere aanpak van deze vorm van terreur. Dat wordt hoog tijd. De gewelddadige acties van doorgeslagen dierenactivisten brengen grote schade toe aan de zoektocht naar broodnodige medicijnen, aan het vruchtbare Nederlandse proefdierendebat, aan de reputatie van geweldloze dierenrechtenactivisten en aan de positie van Nederland als onderzoeksland.
Met behulp van knaagdieren toonden Louis Pasteur en Robert Koch het bestaan van antrax- en cholerabacillen aan.
Eind negentiende eeuw toonden onderzoekers als Louis Pasteur en Robert Koch met behulp van knaagdieren het bestaan van antrax- en cholerabacillen aan. Dat maakte de bestrijding van deze gevreesde ziekten mogelijk. Sinds 1900 ontvingen meer dan zeventig wetenschappers een Nobelprijs na medisch onderzoek op proefdieren dat had geleid tot belangrijke doorbraken op het gebied van onder meer suikerziekte, nierdialyse, antibiotica, kinkhoest, kunstgewrichten, transplantaties, polio, kanker, alzheimer, malaria en aids.
Ongerustheid over het welzijn van de betrokken proefdieren leidde al in 1890 tot oprichting van de Nederlandse Bond tot Bestrijding der Vivisectie (NBBV). Sindsdien wordt in Nederland gediscussieerd over het nut en de wenselijkheid van dierproeven. Tegenstanders als de vereniging Proefdiervrij en de Dierenbescherming verwoorden deze standpunten sinds 1987 in het Platform Alternatieven Dierproeven, een overlegorgaan van voor- en tegenstanders dat direct adviseert aan de minister van VWS. Aan de overzijde treffen de tegenstanders een groep vooruitstrevende wetenschappers onder wie ’s werelds eerste proefdierprofessor Bert van Zutphen (Universiteit Utrecht) en Coenraad Henriksen, ’s werelds eerste hoogleraar Alternatieven voor Dierproeven (Universiteit Utrecht). Het overleg in het platform resulteerde de afgelopen dertig jaar onder meer in een stringente wetgeving voor dierproeven en een verplichte cursus voor alle betrokken wetenschappers, die inmiddels in heel Europa gemeengoed is.
Naast een algemene vergunning voor de betrokken instanties moet elk van de circa vierduizend jaarlijkse dierproefonderzoeken in Nederland ook afzonderlijk worden vergund. Die vergunning wordt pas verstrekt na goedkeuring door een Dieren Experimenten Commissie (DEC), die bestaat uit deskundigen en ethici van binnen en buiten de organisatie die de vergunning aanvraagt. De DEC controleert of er een aanvaardbaar alternatief voorhanden is, en of het wetenschappelijk en maatschappelijk belang opweegt tegen het dierlijk lijden. Bijvoorbeeld voor de test van een nieuwe voedseltoevoeging die ernstig dierlijk lijden veroorzaakt, zal nooit toestemming worden gegeven.
‘De discussies over het wel of niet verlenen van een vergunning hebben enorm bijgedragen aan het bewustwordingsproces,’ aldus hoogleraar Hendriksen, eerder adviseur van de Nederlandse Bond tot Bestrijding der Vivisectie. ‘Begin jaren tachtig kon je als wetenschapper de telefoon pakken om voor de volgende dag een partij ratten te bestellen. Tegenwoordig is dat not done.’
Volgens Hendriksen is het nadenken over alternatieven voor proefdieren in één generatie mainstream science geworden. Hij stoort zich ernstig aan het door tegenstanders opgeroepen beeld van wrede onderzoekers die hun weg naar de eeuwige roem achteloos plaveien met duizenden dierenlijkjes. ‘Dat is een schandalige vertekening van de realiteit. De meeste wetenschappers die ik ken, zijn juist zeer begaan met het lot van proefdieren. In de praktijk blijft hun echter vaak geen andere keuze.’
Dat dierproeven uiteindelijk allemaal vervangen kunnen worden door soortgelijke alternatieven, is een ‘wijdverbreid misverstand’, verzekert Herman Koëter, een van Europa’s meest vooraanstaande experts op het gebied van dierproeven. ‘De overbodige dierproeven zijn er inmiddels echt wel uit gefilterd.’
Koëter wijst erop dat Nederland al jaren een verbod kent op proefdiertesten waarvoor alternatieve methoden bestaan. En dat het aantal dierproeven in Nederland nog steeds daalt, is volgens Koëter een ‘prachtige prestatie’. ‘Op basis van de snelle toename van wetenschappelijk onderzoek zou je mogen verwachten dat het aantal dierproeven juist zou toenemen,’ aldus Koëter. Tegenstanders als Proefdiervrij denken daar volgens hem vaak te lichtvaardig over, zo blijkt ook uit de alternatieven die zij zelf aandragen. Alternatieve testmethoden kunnen vaak wel eenvoudige informatie verschaffen (giftig of niet), maar geven geen inzicht in de werkingsmechanismen van de stof in kwestie. Zeker bij geneesmiddelen, zeer gecompliceerd in hun werking, is dat laatste een belangrijke vereiste. Medicijnen moeten bijvoorbeeld wel de bloeddruk verlagen, maar mogen niet de hartslag veranderen. Het is volgens de hoogleraar vrijwel onmogelijk om dat buiten een levend organisme na te bootsen.
Hij verwacht veel van de radicaal nieuwe ‘genomics’-technologieën, waarmee de chemische structuur van nieuwe stoffen met soortgelijke, reeds bekende stoffen kan worden vergeleken. Deze staan echter nog in de kinderschoenen. Tot deze vervolmaakt zijn, zijn proefdiertesten ‘onvermijdelijk’, en dienen de betrokken wetenschappers zich te concentreren op het beperken van dierlijk leed.
Overigens zou de Nederlandse overheid, met afstand de grootste opdracht- en werkgever op dit gebied, daar volgens Koëter best wat meer geld in mogen steken. ‘De negen ton subsidie per jaar die daar nu voor wordt uitgetrokken, ligt op kruideniersniveau. Zeker als je bedenkt dat de opzet en uitvoering van één afzonderlijke langdurige dierproef al snel een miljoen euro kost. Dan doet het bedrijfsleven het een stuk beter.’
De Nederlandse medicijnenfabrikant Organon doet op grote schaal wettelijk verplichte dierproeven om de veiligheid van zijn (anticonceptie)geneesmiddelen te waarborgen. Aangezien elke afzonderlijke batch getest moet worden en de eisen per land verschillen, vereisen deze routinematige tests relatief veel proefdieren. Met de ontwikkeling van een alternatieve test voor een van haar anticonceptiemiddelen spaart de firma alleen al in Nederland het leven van 10.000 konijnen per jaar. De ontwikkeling kostte een veelvoud van de negen ton die de Nederlandse overheid jaarlijks beschikbaar stelt voor dat doel.
Volgens Gert Siemons van Organon geeft het internationale bedrijfsleven wereldwijd honderden miljoenen per jaar uit aan de ontwikkeling van zulke alternatieven. ‘Los van het feit dat ik geen onderzoeker ken die geen grote moeite heeft met dierenleed, zijn dierproeven namelijk ook erg duur, want ze zijn arbeidsintensief. En ze zijn ook nog eens slecht voor het imago en relatief onbetrouwbaar. Geen laborant die liever een dier neemt als hij ook een petrischaaltje of computermodel kan gebruiken.’
Helaas kost het vaak ook nog eens ontzettend veel tijd en geld om zo’n alternatief door het internationale regelwoud te loodsen. Koëter ontwikkelde zelf ooit bij TNO een alternatief voor een oogirritatietest, waarbij de ogen van slachtkippen werden gebruikt als alternatief voor levende dieren. Koëter: ‘Andere onderzoekers presenteerden soortgelijke methoden met bijvoorbeeld koeienogen, waarna ze elkaar in wetenschappelijke publicaties te lijf gingen. Mijn TNO-test, die ik in 1984 presenteerde, is pas in 2002 internationaal in gebruik genomen.’
Personeelsleden en relaties van Huntingdon werden bedreigd, hun huizen beklad, ramen vernield en hun auto’s in brand gestoken.
Niet iedereen heeft daar het geduld voor. Extreme dierenactivisten proberen dit complexe proces te versnellen door woonhuizen, auto’s en fabriekspanden van mensen die iets te maken hebben met dierproeven, te vernielen en in brand te steken. Dat begon eind jaren negentig in Groot-Brittannië, na ‘undercover’-acties door de People for the Ethical Treatment of Animals (PETA). De van oorsprong Amerikaanse organisatie gaat ervan uit dat ‘dieren er niet voor ons zijn om ze op te eten, als kleding te dragen, voor experimenten of vermaak.’ Met 1,8 miljoen leden is het naar eigen zeggen de grootste dierenrechtenorganisatie in de wereld, en tevens de enige die miljoenen steekt in wereldwijde undercoveracties om misstanden aan de kaak te stellen. In 1997 richtte PETA zijn pijlen op het Britse Huntingdon Life Sciences, ’s werelds grootste dierproefspecialist. Met in brillen verstopte cameraatjes werd onder meer vastgelegd hoe een hond die niet meewerkte aan een bloedproef werd geslagen door een gefrustreerde laborant. De gevolgen van dit filmpje, dat via Chanel 4 en internet verder werd verspreid, waren enorm. Wereldwijd volgden harde acties tegen Huntingdon. Onder dreiging van een miljoenenclaim trok PETA zich uiteindelijk in 1999 terug uit de strijd.
Kort daarna verscheen uit het niets een nieuwe actiegroep. Stop Huntingdon Animal Cruelty (SHAC) zette ondubbelzinnig in op de ondergang van Huntingdon, en kreeg daarbij steun van het Animal Liberation Front (ALF), een organisatie van extremistische dierenactivisten die naar eigen zeggen ‘non-violent direct action’ promoot. Het klinkt als Gandhi, maar in de definitie van het ALF is ‘non-violent action’ elke vorm van actie waarbij geen doden of gewonden vallen. Intimidatie, bedreiging, brandstichting en zelfs bomaanslagen behoren nadrukkelijk wel tot het ‘geweldloze’ actiearsenaal. Aan iedereen die samenwerkt met Huntingdon beloofde het ALF: ‘We will track you down, come for you and destroy your property with fire.’
De afgelopen jaren kwam de actiegroep zijn belofte geregeld na. Overdag protesteerde SHAC voor kantoren van Huntingdon en zijn relaties, ’s nachts belaagden gemaskerde ALF-leden betrokken personeelsleden. Het begrip ‘relatie’ wordt daarbij erg ruim geïnterpreteerd. In 2005 staakte de Canadese effectenhandelaar Canaccord zijn advieswerk aan het Britse biotechbedrijf Phytopharm, nadat de auto van een van zijn managers door een brandbom werd getroffen. Phytopharm werkte samen met de Japanse farmaciefabrikant Yamanouchi, dat op zijn beurt weer samenwerkte met Huntingdon. In Nederland werden de woningen van directieleden van Van der Moolen gevandaliseerd, omdat dit effectenhuis aandeelhouder is van de New York Stock Exchange, waar aandelen Huntingdon worden verhandeld. Honderden andere directe of indirecte Huntingdon-relaties ondergingen hetzelfde lot: personeelsleden werden bedreigd, hun huizen beklad, ramen vernield en auto’s in brand gestoken.
In juli 2005 hebben de gewelddadigheden in Groot-Brittannië tot de invoering van de Serious Organized Crime and Police Act. De wet geeft politie en justitie ruime bevoegdheden om ‘economische chantage’ (een nieuw begrip in het Britse wetboek) van grote farmaciebedrijven aan te pallen. Met de Animal Enterprise Terrorism Act heeft Amerika inmiddels soortgelijke wetgeving. Sindsdien heeft SHAC zijn acties in die landen aanzienlijk teruggeschroefd.
Enkele Nederlandse groepen hebben volgens rapporten van politie- en veiligheidsdiensten inmiddels de Britse actiemethoden overgenomen. Ze zouden ook een coördinerende rol spelen bij pan-Europese antidierproef-campagnes. De afgelopen drie jaar protesteerden de Anti Dierproef Coalitie (ADC) en Een Dier Een Vriend (EDEV) bij een groot aantal firma’s die gelijktijdig doelwit werden van nachtelijke terreuracties door het Dieren Bevrijdings Front (DBF), de Nederlandse afdeling van het ALF. Daarmee ontstaat een moeilijk te negeren parallel met de Britse acties. Zowel de ADC als EDEV neemt echter alleen verantwoordelijkheid voor zijn legale protesten, en weigert een oordeel uit te spreken over de gewelddadige acties door het DBF. Leider Geoffrey Deckers zegt met EDEV leiding te geven aan een ‘Europese Coalitie tegen dierproeven met vertegenwoordigers uit zestien landen’. Net als strijdmakker Molenaar werd Deckers eerder gearresteerd en veroordeeld wegens gewelddadig dierenactivisme. Met negen andere leden van het DBF viel hij in 1987 een veilinghuis van pelsdierhouders binnen. Een medewerker werd vastgebonden en geblinddoekt, administratie werd ontvreemd, computers werden vernield.
Die acties waren wellicht ‘een brug te ver’, zegt Deckers nu. ‘Maar na die overval op het veilinghuis ben ik bij honderden acties in Nederland, Europa en zelfs daarbuiten betrokken geweest waarbij geen geweld is gebruikt,’ aldus de voorman van EDEV, die zich bij voorkeur telefonisch laat interviewen omdat hij naar eigen zeggen herhaaldelijk is bedreigd en dus voorzichtig moet zijn.
Zowel Molenaar als Deckers koppelt utopische sentimenten aan het diepgewortelde wantrouwen tegen de overheid en multinationals dat je bijvoorbeeld ook ziet in de krakersbeweging, bij anti-globalisten, moslimfundamentalisten en in sommige neofascistische kringen. Beiden noemen het toezicht op dierproeven in Nederland een ‘doekje voor het bloeden’. Molenaar: ‘De Dieren Experimenten Commissies zouden een drempelfunctie hebben? Dat is wishful thinking. Het zijn allemaal collega’s die elkaar de bal toespelen.’ Ook het aanvullende toezicht door de VWA maakt weinig indruk. Deckers: ‘Bij de VWA zitten ook allemaal mensen uit het veld; dat is dus één grote gezellige vriendenclub.’
De apen waren volgens het centrum vooral in paniek door de bruuske manier waarop Willibrord Frequin er was binnen gevallen.
Gevraagd naar bewijzen die zijn wantrouwen bevestigen, kan Molenaar niet meer dan twee concrete voorbeelden noemen. Het eerste is een filmpje dat in 2001 werd gemaakt door Willibrord Frequin in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) in Rijswijk, waar apen in opdracht van het ministerie van OCW worden gebruikt voor onderzoek naar menselijke ziekten als malaria, hepatitis en reuma. De opnamen van Frequin toonden aan dat de apen die daar als proefdier worden gebruikt in erg kleine kooien zaten. De situatie werd sindsdien met extra overheidssubsidie verbeterd, maar de paniek in de ogen van de dieren kwam volgens het centrum vooral door de tamelijk bruuske entree van Frequin en zijn camerateam.
Molenaars tweede casus is het dagboek van een voormalig medewerkster van proefdierenfokker Harlan in het Limburgse Horst. De jonge vrouw werkte er twee weken en beschrijft in uiterst emotionele bewoordingen hoe zij in die periode enkele tientallen dode cavia’s uit plastic bakken moest vissen. Uit navraag bij Harlan blijkt echter dat de uitzendkracht speciaal was aangenomen voor het verwijderen van dode dieren, een ongelukkig maar onvermijdelijk bijproduct bij het fokken van grote massa’s dieren. Volgens Molenaar betekent de korte lijst met concrete ‘misstanden’ echter niet dat het in Nederland wel meevalt. ‘Uit undercoveracties in het buitenland blijkt dat ook daar misstanden spelen terwijl die in de officiële rapportages onzichtbaar zijn. Zou dat in Nederland dan anders zijn?’
Tegen dergelijke logica is moeilijk op te boksen. Filosoof Hans Achterhuis verdiept zich in het brein van de extreme dierenactivist. Hij discussieerde vaak met ze tijdens zijn colleges aan de Wageningen Universiteit. Volgens Achterhuis zijn het vaak bovengemiddeld intelligente mensen. ‘Ze kunnen goed redeneren, maar zoeken alleen het eigen gelijk.’ Deze tunnelvisie, en de frustraties die daarmee gepaard gaan, monden volgens Achterhuis vaak uit in geweld, dat wordt geromantiseerd en vergeleken met bijvoorbeeld het verzet tegen de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. De nachtelijke acties door kleine cellen versterken dit gevoel. Onderlinge discussies over de beweegredenen en actiemiddelen komen volgens hem nauwelijks voor. ‘Dit soort mensen denkt in utopieën; dat maakt het erg moeilijk om op een normale manier met ze te discussiëren. Ruimte voor andersdenkenden is er niet.’
De Nederlandse politiek heeft al dertig jaar grote moeite om tot een passende aanpak van extreme dierenactivisten te komen. In de nasleep van de gewelddadigheden in Venray kregen de Provinciale Staten van Limburg bijvoorbeeld geen meerderheid achter een poging het geweld te veroordelen als ‘een vorm van terreur’. Opmerkelijk, want de definitie die Van Dale geeft aan terreur, namelijk ‘georganiseerde geweldpleging om politieke of andere doelen te bereiken’, past als een handschoen. In een motie waarin het geweld door dierenactivisten werd veroordeeld, kwam de Tweede Kamer in februari ook al niet verder dan ‘criminele acties’. Minister Hirsch Ballin wil nu zwaardere straffen voor extreme dierenactivisten, maar dat heeft weinig zin als die niet opgepakt worden. Zowel de AIVD als de Unit Contraterrorisme en Activisme (UCTA) van de Nationale Recherche doet al twee jaar ‘intensief onderzoek’ naar dierenrechtenactivisme. Toch was Geoffrey Deckers in 1987 het laatste DBF-lid dat werd opgepakt en veroordeeld. Sindsdien gingen tientallen bedrijfspanden in rook op, werden honderden mensen bedreigd en hun woningen gevandaliseerd, zonder dat daar ook maar één veroordeling tegenover stond.
De strijd om dierproeven is tevens een strijd om objectieve informatie. Activisten stellen dat gegevens over dierproeven worden achtergehouden. Als gevolg daarvan wordt Merel Ritskes, directeur van het Centraal Dierenlab van het Nijmeegse Universitair Medisch Centrum, met grote regelmaat geconfronteerd met WOB-procedures waarmee activisten informatie over specifieke onderzoeken proberen te achterhalen. ‘Dat kost echter ontzettend veel tijd,’ vertelt Ritskes, ‘en in de praktijk wordt er helemaal niets met die opgevraagde informatie gedaan. Het is meer zand in de machine strooien. Ook de dieren schieten daar helemaal niets mee op, dus die tijd kunnen we echter beter besteden.’
Maartje Fentener van Vlissingen, hoofd Dier Experimenteel Centrum van het Erasmus Medisch Centrum, kent soortgelijke frustraties. Fentener van Vlissingen is tevens lid van de ingestelde Commissie voor Biotechnologie bij Dieren, die de minister adviseert over genetische experimenten met dieren. Sinds de gerelateerde vergunningenprocedure in 1997 volledig openbaar werd, is deze volledig ‘gestold’. ‘Een zeer kleine groep mensen produceert een enorme hoeveelheid bezwaarschriften,’ aldus Fentener van Vlissingen. ‘Sommige zijn geïllustreerd met cartoonachtige tekeningen van mishandelde beesten. Ooit was Nederland koploper in gebruik van genetisch gemodificeerde muizen, essentieel voor hoogwaardig kankeronderzoek. Als direct gevolg van de doorgeslagen inspraakprocedure zijn we behoorlijk achterop geraakt. Dat is een grote aderlating voor de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland.’
Nederlandse wetenschappers omzeilen de procedure inmiddels door genetisch gemodificeerde dieren in België te bestellen. Veel multinationals verplaatsen hun hoogwaardig onderzoek naar landen waar proefdieren aanzienlijk wettelijke bescherming genieten. En uit een recent rapport van de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) blijkt dat controversiële testen steeds vaker worden uitgevoerd in lagelonen- en ontwikkelingslanden waar ‘lokaal regelgevende autoriteiten en medisch-ethische toetsingcommissies vaak slecht uitgerust zijn.’
Toch twijfelen Molenaar en Deckers niet aan de juistheid en het nut van hun acties. ‘Ik heb niet het gevoel dat we mensen met onze acties vervreemden van ons doel,’ aldus Molenaar. ‘Nederland heeft zeker vijf miljoen dierenliefhebbers die het zat zijn dat er met dieren wordt gesold. Ze pikken het niet meer dat economische belangen telkens voor de democratische wil van het volk gaan. Ik weet zeker dat acties zoals die in Venray breed gedragen worden door de zwijgende meerderheid van de Nederlandse bevolking.’
Dierproeven in Nederland
In Nederland beschikken 81 instanties, waaronder veel farmaceutische firma’s en universiteiten, over een vergunning om dierproeven uit te voeren. Gezamenlijk verbruikten zij vorig jaar zo’n 800.000 proefdieren in een slordige 4000 onderzoeken. In 1978, het jaar dat de veterinaire inspectie begon met de landelijke registratie, was dat nog ruim anderhalf miljoen dieren.
Of deze daling zich ook elders in Europa voordoet, is niet bekend. De meeste lidstaten registreren hun proefdiergebruik pas sinds enkele jaren, sommige helemaal niet. Buiten de EU is controle en registratie nog aanzienlijk minder vanzelfsprekend. In de Verenigde Staten, waar verreweg de meeste dierproeven worden gedaan, is sprake van een beperkte registratieplicht, die bijvoorbeeld niet geldt voor het gebruik van ratten en muizen. In Nederland zijn deze twee diersoorten goed voor tweederde van het totaal aantal gebruikte proefdieren. De apen en honden die zo vaak in het beeldmateriaal van activisten figureren, zijn gezamenlijk goed voor een half procent van het Nederlandse proefdierenbestand. Ongeveer 45 procent van de Nederlandse dierproeven geschiedt voor wetenschappelijk onderzoek naar ziekten en geneesmiddelen, eenzelfde hoeveelheid voor het testen van sera en vaccins. De resterende tien procent wordt opgesoupeerd door onderwijs en onderzoek naar giftigheid van stoffen. Circa vijf procent van alle Nederlandse proefdieren heeft te maken met ernstig lichamelijk lijden. Het gaat daarbij om onderzoek naar ernstige ziekten, overigens zowel bij mens als bij dier.